| Kamerkoor | ||||
| Rudolf Escher (1912-1980) | ||||
|
Huidig project |
Escher studeerde piano en contrapunt aan het Toonkunst Conservatorium in Rotterdam (1931–1937). Van 1934 tot 1937 studeerde hij compositie bij Willem Pijper. Veel van zijn composities gingen verloren bij het bombardement op Rotterdam in 1940. Na de oorlog was hij o.a. secretaris van het bestuur van de Nederlandse Opera (1946–1951) en bestuurslid van de Stichting Nederlandse Muziekbelangen (1947–1962). Nadat Escher een cursus elektronische muziek aan de Technische Hogeschool van Delft had gevolgd, werkte hij enige tijd in de Studio voor Elektronische Muziek van de Rijksuniversiteit Utrecht. Van 1964 tot 1977 was hij hoofdmedewerker aan het Instituut voor Muziekwetenschap aldaar. Escher komt voort uit de zgn. School van Pijper die, als reactie op de Duitse romantiek, een meer op Frankrijk gerichte koers volgde. Zijn oeuvre, dat 38 werken omvat, neemt echter een geheel eigen plaats in de Nederlandse toonkunst in. Kenmerkend voor zijn muziek zijn de vanuit kleine motieven opgebouwde melodische lijnen, de polyfone structuur en de pulserende harmonie. Als muziektheoreticus hield Escher zich diepgaand bezig met de vraagstukken van zijn tijd, en vooral met de psycho-akoestische fundamenten van de muziek. Hij deed dit mede om zijn plaats als componist te bepalen tegenover de seriële muziek, die ook in Nederland aanhangers had gekregen. Hij kritiseerde deze richting (met uitzondering van componisten als Webern en Boulez), omdat zij naar zijn idee geen rekening hield met de fysiologie van het menselijk gehoor. Tegenover de atonale muziek van Arnold Schönberg stelde hij, als ‘andere weg na Wagner’, de muziek van Debussy, die hij op minutieuze wijze analyseerde volgens methodes die aan de moderne taalwetenschap waren ontleend. In 1977 ontving Escher de Johan Wagenaarprijs. |
Rudolf Escher |
||
|
||||