Kamerkoor  
   
 
         
         
  Francis Poulenc (1899-1963)  
     

Informatie

Kaartverkoop

Huidig project

Voorgaande projecten

Mailinglist

Colofon

Leden

Poulenc studeerde piano bij Ricardo Viñes. Deze bracht hem in contact met Satie, die als eerste een compositie van hem deed uitvoeren, Rhapsodie nègre (1917; voor bariton, strijkkwartet, fluit, klarinet en piano), (1918). Kort daarop sloot Poulenc zich aan bij de groep Nouveaux Jeunes (later de Groupe des Six), waar hij de invloed van Jean Cocteau onderging.
In 1919 oogstte hij zijn eerste succes als componist met de aan Viñes opgedragen Mouvements perpetuels (1918) voor piano. Op aanraden van Milhaud studeerde hij contrapunt en compositie bij Ch. Koechlin (1921–1924).
In deze tijd maakte hij tevens kennis met Arnold Schönberg en Casella. De première van zijn in opdracht van Diaghilev geschreven ballet Les biches (1923) bezorgde hem internationale erkenning. Neoklassiek, naar het voorbeeld van Strawinsky's Pulcinella, toont dit werk reeds Poulencs karakteristieke voorliefde voor stijlcitaten, alsmede zijn ongegeneerd gebruik van populaire motieven uit de jazz en de amusementsmuziek. Deze beide elementen zijn met wisselend succes toegepast in zijn vnl. instrumentale werken uit de jaren twintig en het begin der jaren dertig.
Een nieuwe impuls ontving zijn componeren uit de samenwerking met de bariton Pierre Bernac, die hij vanaf 1935 tot 1949 regelmatig begeleidde. In deze periode ontstond het merendeel van Poulencs liedoeuvre (w.o. een aantal cycli), waarin hij zich ontpopte als een waardig opvolger van Fauré, Duparc en Debussy. Uit zijn latere jaren dateren de geestelijke werken, waaronder de op een religieus thema gebaseerde opera Les dialogues des carmélites (1953–1956; 1957; naar Georges Bernanos), en zijn terugkeer naar de kamermuziek.

Bart Visman

Francis Poulenc

Rudolf Escher

Johannes Ockeghem