Informatie
Kaartverkoop
Huidig project
Voorgaande projecten
Mailinglist
Colofon
Leden |
Poulenc
studeerde piano bij Ricardo Viñes. Deze bracht hem in contact met
Satie, die als eerste een compositie van hem deed uitvoeren, Rhapsodie
nègre (1917; voor bariton, strijkkwartet, fluit, klarinet
en piano), (1918). Kort daarop sloot Poulenc zich aan bij de groep Nouveaux
Jeunes (later de Groupe des Six), waar hij de invloed van Jean Cocteau
onderging.
In 1919 oogstte hij zijn eerste succes als componist met de aan Viñes
opgedragen Mouvements perpetuels (1918) voor piano. Op aanraden
van Milhaud studeerde hij contrapunt en compositie bij Ch. Koechlin (1921–1924).
In deze tijd maakte hij tevens kennis met Arnold Schönberg en Casella.
De première van zijn in opdracht van Diaghilev geschreven ballet
Les biches (1923) bezorgde hem internationale erkenning. Neoklassiek,
naar het voorbeeld van Strawinsky's Pulcinella, toont dit werk reeds Poulencs
karakteristieke voorliefde voor stijlcitaten, alsmede zijn ongegeneerd
gebruik van populaire motieven uit de jazz en de amusementsmuziek. Deze
beide elementen zijn met wisselend succes toegepast in zijn vnl. instrumentale
werken uit de jaren twintig en het begin der jaren dertig.
Een nieuwe impuls ontving zijn componeren uit de samenwerking met de bariton
Pierre Bernac, die hij vanaf 1935 tot 1949 regelmatig begeleidde. In deze
periode ontstond het merendeel van Poulencs liedoeuvre (w.o. een aantal
cycli), waarin hij zich ontpopte als een waardig opvolger van Fauré,
Duparc en Debussy. Uit zijn latere jaren dateren de geestelijke werken,
waaronder de op een religieus thema gebaseerde opera Les dialogues
des carmélites (1953–1956; 1957; naar Georges Bernanos),
en zijn terugkeer naar de kamermuziek. |
Bart
Visman
Francis Poulenc
Rudolf
Escher
Johannes
Ockeghem |